Insigne Identiteit
Dit insigne maakt deel uit van het activiteitengebied Identiteit.
Bij het activiteitengebied Identiteit doe je activiteiten die te maken hebben met wie je zelf bent (zelfbeeld), je levensovertuiging en de identiteit van je groep. Met dit insigne ga je aan de slag met wat jou en jouw groep uniek maakt en hoe je naar jezelf en anderen kijkt.
| Opdrachten/Eisen | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 3 |
|---|---|---|---|
| 1) Ik | Ieder mens is uniek en heeft eigen talenten en hobby's. a) Teken of schilder een zelfportret. Noteer daarbij welke hobby’s en talenten je hebt. b) Maak een foto van jezelf in de natuur en voeg deze toe aan het portret. Leg daarbij uit wat je graag doet in de natuur en waarom de natuur belangrijk voor je is. |
Scouting daagt je uit om je talenten te ontwikkelen. a) Vraag vijf mensen om te delen waar jij goed in bent en waarom. b) Vraag vijf mensen om te delen waar jij je nog in kunt ontwikkelen en waarom. c) Kies een ontwikkelpunt uit en stel een plan op hoe je die ontwikkeling de komende een á twee maanden gaat aanpakken. Zorg dat je een duidelijk doel voor ogen hebt. d) Evalueer samen met je leiding de voortgang en het resultaat na afloop van je ontwikkelplan. |
Taal is een belangrijke manier om je ervaringen, gevoelens en identiteit tot uitdrukking te brengen. a) Schrijf een gedicht of lied dat iets vertelt over jezelf of wat Scouting voor jou betekent. b) Draag het voor aan je speltak en leg uit wat de gedachten achter je tekst zijn. |
| 2) Familie | Sommige eigenschappen komen regelmatig terug in de dezelfde families. a) ontwerp een stamboom van drie generaties met volledige namen en foto’s (indien mogelijk). Noteer daarbij uiterlijke gelijkenissen tussen familieleden. b) Vul de stamboom aan met karaktereigenschappen. Praat hierover met familieleden; zij kunnen je helpen. c) Bekijk alle eigenschappen op de stamboom en noteer welke eigenschappen je in jezelf herkent. Bepaal op wie je het meest lijkt. |
Bijna elke familie heeft wel eigen gebruiken en gewoontes. Denk bijvoorbeeld aan manieren om een verjaardag of feestdag te vieren, bij elkaar te komen of samen te eten. Kies en voer uit: eis a en b, óf eis c. a) Onderzoek welke gebruiken en gewoontes er in jouw familie zijn. Kies er een en voer deze uit met je speltak. b) Leg uit waar deze gebruiken en gewoontes vandaan komen (geloof, regio, land, of iets dergelijks) en wat het doel ervan is. <br) c) Vraag je vrienden naar de gebruiken en gewoontes in hun families. Kies er een uit, onderzoek de oorsprong en voer deze uit met je eigen familie of met je speltak. |
Stel je voor dat je een nieuw familielid mag kiezen. a) Beschrijf hoe dit familielid zou heten, eruit zou zien, waar die vandaan zou komen, en waarom je voor deze kenmerken hebt gekozen. b) Speel het spel [Blij met je ei] om een band te vormen met dit fictieve familielid. |
| 3) Wet en belofte | Bij Scouting zijn onze normen en waarden vastgelegd in de wet en belofte. Zo belooft elke Scout bijvoorbeeld om iedereen te helpen waar die kan. a) Leer de wet en belofte uit je hoofd. Vertel aan de leiding in je eigen woorden wat de wet en belofte voor jou betekenen. b) Bedenk twee manieren hoe je de normen en waarden uit de wet en belofte buiten Scouting kunt toepassen. Voer deze acties uit en deel de resultaten met de leiding |
- style="font-style: italic; color: green;"|In de Scoutingwet voor iedereen vanaf 11 jaar staat dat scouts waarde bewust zijn en goed voor de natuur zorgen. | |
| 4) Symbolieken en tradities | Voor logo’s van Scoutinggroepen worden vaak bepaalde symbolen gebruikt. a) Beschrijf de symbolen uit het installatieteken van Scouting Nederland en leg uit wat die symbolen betekenen. b) Beschrijf de symbolen uit het logo van jouw Scoutinggroep en -regio en leg uit wat die symbolen betekenen. c) Ontwerp een logo voor je vaste subgroep, speltak of Scoutinggroep. Gebruik symbolen die volgens jou laten zien waar jullie voor staan. |
Scouting staat bol van symboliek en tradities. a. Beschrijf hoe de volgende symbolen en tradities in jouw groep aan bod komen: het dragen van een das, het geven van de linkerhand, het openen en sluiten van een opkomst of kamp, het brengen van een saluut, het overvliegen naar een nieuwe afdeling, het installeren van nieuwe leden in je speltak. b) Onderzoek of jouw groep unieke symbolen en tradities heeft. c) Verken de unieke symbolen en tradities van een andere Scoutinggroep door bijvoorbeeld bij een andere groep in je regio op bezoek te gaan. Probeer die unieke symbolen en tradities vervolgens uit in je eigen speltak. Denk bijvoorbeeld aan Sint-Jorisdag, Wereld Denkdag of deelname aan de Dodenherdenking. |
Ieder mens is uniek en heeft eigen opvattingen over wat écht belangrijk is in het leven. Kies en voer uit: eis a, c en d (individueel) of eis b, c en d (samen). a) Beschrijf de waarden die jij belangrijk vindt in het leven en vat deze samen in een persoonlijk motto. b) Beschrijf de waarden van je vaste subgroep of speltak en vat deze samen in een motto. c) Ontwerp een logo of huisstijl dat bij jou en je motto past. Dit moet geschikt zijn voor een badge of T-shirt. d) Leg uit wat je motto en logo betekenen en waarom deze bij jou passen. Als je lid bent van de roverscouts kun je dit als onderdeel van je Partenza gebruiken. |
| 5) Verschillende culturen | Door de jaren heen zijn er verschillen ontstaan tussen Scoutinggroepen. Sommige groepen hebben alleen jongens en meisjes en sommige groepen hebben ze allebei, in eigen speltakken of gemengd. a) Beschrijf de samenstelling van de speltakken in jouw groep. Leg ook uit hoe dit is ontstaan. b) Maak een lijst van de dorpen, streken en steden waar de leden van jouw speltak vandaan komen. Benoem ook of er leden met verschillende nationaliteiten in jouw groep zijn. |
Elke cultuur en geloofsovertuiging kent eigen feestdagen. a) Inventariseer de verschillende culturen en geloofsovertuigingen binnen je speltak. Stel je hierbij belangstellend op, zonder er zelf een mening over te geven. b) Noteer de feestdagen die gevierd worden binnen deze culturen en geloofsovertuigingen, en benoem eventuele overeenkomsten tussen de feestdagen. c) Kies een van de feestdagen uit die je zelf nog niet kent of viert en organiseer daarover een passende activiteit voor je speltak. |
De manier waarop mensen natuur beleven en ermee omgaan is vaak afhankelijk van de culturele en spirituele waarden die zij aan de natuur toekennen. a) Vergelijk hoe natuur wordt beleefd en gewaardeerd in Nederland met een land of cultuur waar de natuurbeleving anders is. b) Presenteer de verschillen in natuurbeleving aan je speltak en geef daarbij jouw mening over deze verschillen. |
| Voorbeeldactiviteiten: | [Mijn familie] [De welpenwet en belofte op de muurkrant] [De positieve pracht veren van Mor] |
[Kennismaken in vijf vingers] [Visualiseer het verleden] |
[Herken jezelf in een gedicht] [Het motto van jouw speltak] [Avonturenverzameling] |